ECLI:NL:CRVB:2005:AT3098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en voorschotweigering
Appellant diende op 30 januari 2000 een aanvraag in voor een WW-uitkering na ontslag op staande voet per 22 december 1999. Gedaagde, het UWV, weigerde aanvankelijk een voorschot te verstrekken vanwege onzekerheid over het recht op loonbetaling en stelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij niet tegen het ontslag had opgetreden. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het UWV ten onrechte het besluit van 25 februari 2000 heeft herroepen om geen voorschot te verstrekken, omdat op dat moment geen onzekerheid meer bestond over het recht op uitkering. De rechtbank had het beroep tegen dit onderdeel ongegrond moeten verklaren, waardoor de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het bezwaar tegen het niet verstrekken van het voorschot alsnog ongegrond wordt verklaard.
Daarnaast oordeelt de Raad dat appellant eerst bezwaar had moeten maken tegen de weigering van de WW-uitkering voordat beroep bij de rechtbank mogelijk was. Het beroep bij de rechtbank had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De Raad vernietigt daarom ook dit deel van de uitspraak en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het niet verstrekken van een voorschot wordt ongegrond verklaard.