ECLI:NL:CRVB:2005:AT2911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht nabestaandenuitkering bij late aanvraag Algemene nabestaandenwet
Gedaagde diende op 28 september 2001 een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege het overlijden van haar echtgenoot op 1 juni 1998. De Sociale verzekeringsbank (SVB) kende de uitkering toe met terugwerkende kracht vanaf september 2000, één jaar voorafgaand aan de aanvraag. Gedaagde stelde dat zij niet tijdig had aangevraagd vanwege onbekendheid met haar rechten en de rol van de gemeente Delft, die geen aanvraagformulier verstrekte.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de onbekendheid verschoonbaar was en kende daarom een langere terugwerkende kracht toe. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat gedaagde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van haar recht op een uitkering, ondanks het ontbreken van informatie van de gemeente. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen schriftelijke toezegging bestond.
De Raad benadrukte dat onbekendheid met de wet niet automatisch leidt tot een bijzonder geval dat rechtvaardigt dat de uitkering met terugwerkende kracht langer dan één jaar wordt toegekend. De verantwoordelijkheid voor het tijdig aanvragen blijft bij de belanghebbende. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de uitkering slechts met terugwerkende kracht van één jaar wordt toegekend.