ECLI:NL:CRVB:2011:BP6945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5677 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, eerste lid, aanhef en onder b, ANWArt. 33, vierde lid, ANW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht

Appellant heeft in juni 2008 een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), met terugwerkende kracht vanaf het overlijden van zijn partner in augustus 2001. De aanvraag is afgewezen omdat volgens het beleid terugwerkende kracht slechts tot maximaal vijf jaar vóór de aanvraagdatum kan worden toegekend, en op die datum appellant niet meer aan de voorwaarden voldeed vanwege zijn huwelijk in 2002.

De rechtbank heeft het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat appellant niet kon worden aangemerkt als een bijzonder geval dat een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Ook het argument dat de gemeente naliet een aanvraagformulier te verstrekken, werd verworpen omdat gemeenten destijds geen verplicht beleid hadden om nabestaanden te informeren en sinds 2004 een koppeling bestaat tussen gemeentelijke basisadministratie en het SVB-systeem.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiermee blijft de afwijzing van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht in stand.

Uitkomst: De aanvraag voor een nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/5677 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 september 2009, 08/9431 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft samengewoond met [A.B.], die op 19 augustus 2001 is overleden. Uit die relatie zijn twee kinderen geboren. Op 24 december 2002 is appellant in het huwelijk getreden met [C.D.]. Dat huwelijk is bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 8 mei 2007 door echtscheiding ontbonden.
1.2. In juni 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Daarbij is verzocht om toekenning met terugwerkende kracht vanaf de datum van het overlijden van de eerste echtgenote in augustus 2001. Tegelijkertijd heeft appellant een aanvraag ingediend voor een halfwezenuitkering.
1.3. Bij besluit van 18 juli 2008 is de aanvraag om een ANW-uitkering afgewezen. Opgemerkt is dat de aanvraag is beoordeeld met één jaar terugwerkende kracht tot 13 juni 2007. Op die datum was appellant door zijn huwelijk echter geen nabestaande in de zin van de ANW.
1.4. Eveneens bij besluit van 18 juli 2008 is aan appellant met ingang van juni 2007 een halfwezenuitkering toegekend. Overwogen is dat een halfwezenuitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de datum waarop de aanvraag is ingediend en dat alleen in bijzondere gevallen hiervan kan worden afgeweken. In het geval van appellant is echter geen sprake van een bijzonder geval.
1.5. Bij het bestreden besluit van 18 november 2008 is het bezwaar tegen beide voornoemde besluiten ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, heeft de rechtbank ten aanzien van de afwijzing van de ANW-uitkering als volgt overwogen:
"Eiser heeft bij zijn aanvraag verzocht om met terugwerkende kracht vanaf de datum van overlijden van zijn partner (augustus 2001) de nabestaandenuitkering toe te kennen. In beginsel wordt, gelet op artikel 33, vierde lid, van de ANW een aanvraag met terugwerkende kracht slechts gehonoreerd tot één jaar voorafgaande aan de aanvraag, tenzij er sprake is van een bijzonder geval. Volgens beleid van verweerder kan in dat geval tot maximaal vijf jaar met terugwerkende kracht worden toegekend. Nu eiser op 12 juni 2008 een aanvraag heeft ingediend, kan volgens dit beleid tot hooguit 12 juni 2003 worden teruggegaan. Op deze datum staat echter vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering, aangezien hij in het jaar 2002 in het huwelijk is getreden. Verweerder heeft -gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW- dan ook op goede gronden de conclusie getrokken dat, nu eiser gehuwd is geweest, eiser geen recht (meer) heeft op een nabestaandenuitkering en dat na het eindigen van een huwelijk het recht op een nabestaandenuitkering niet herleeft."
2.2. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW, om met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar een halfwezenuitkering toe te kennen, is overwogen:
"De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval. Daarbij wijst de rechtbank erop dat naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de enkele onbekendheid met wettelijke voorschriften geen bijzonder geval kan opleveren. Het betoog van eiser dat de onbekendheid van zijn recht hem niet mag worden tegengeworpen, nu de gemeente, in strijd met haar beleid, geen aanvraagformulier heeft uitgereikt, slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de CRvB (18 maart 2005 (USZ 2005/179 en LJN: AT2911), waarin is overwogen dat nabestaanden, ook zonder dat zij door bepaalde instanties daarover zijn geïnformeerd, kunnen weten en redelijkerwijs ervan op de hoogte behoren te zijn van de voor hen bestaande mogelijkheid een nabestaandenuitkering (rechtbank: lees halfwezenuitkering) krachtens de ANW aan te vragen. De verantwoordelijkheid voor het indienen van een aanvraag blijft dan ook bij een belanghebbende zelf berusten.
Overigens heeft eiser gesteld dat hem geen verwijt kan worden gemaakt voor de late aanvraag wegens zijn geestelijke stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling niet slagen, nu niet is gebleken - evenmin uit de door eiser overgelegde stukken bij het aanvullend beroepschrift - dat eiser in de periode na het overlijden van zijn partner (19 augustus 2001), op psychische gronden buiten staat was zijn belangen naar behoren (te laten) waarnemen."
3. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen en voegt daar het volgende aan toe. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling herhaald dat de gemeente hem na het overlijden van zijn echtgenote een aanvraagformulier ANW had behoren uit te reiken. Anders dan appellant veronderstelt, voerden gemeenten ten tijde van het overlijden van de echtgenote van appellant geen algemeen beleid om nabestaanden te informeren over een mogelijk recht op ANW-uitkering. Het niet uitreiken van een ANW-aanvraagformulier aan appellant is dan ook niet aan te merken als een fout van de gemeente. Pas sinds 2004 is sprake van een koppeling tussen de gemeentelijke basisadministratie en het systeem van de Svb, waardoor een aanvraag om een ANW-uitkering wordt bevorderd. Deze grief van appellant kan dan ook niet slagen. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) H.J. Simon.
(get.) D.E.P.M. Bary.
JL