ECLI:NL:CRVB:2005:AS9223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam in twee dienstverbanden met een totale werkweek van 61,5 uur, meldde zich ziek na een ongeval en vroeg een WAO-uitkering aan. Gedaagde, het UWV, weigerde deze uitkering omdat appellant na de wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant voerde aan dat zijn klachten aan benen, voeten, hart, maag en psychische gesteldheid onvoldoende werden meegewogen. De Raad stelde vast dat niet alle klachten eerder waren gemeld en dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad concludeerde dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen geschikt is voor de geselecteerde functies. De berekening van de verdiencapaciteit leidde tot een verlies van 13,72% bij voltijdfuncties, wat onder de 15% grens ligt. De Raad liet een aanvullende schatting met parttime functies buiten beschouwing en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.