ECLI:NL:CRVB:2005:AS8365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2792 NABW en 03/2794 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 69 AbwArt. 81 AbwArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Appellanten ontvingen vanaf 23 september 1996 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 28 januari 2002 trok de gemeente ’s-Gravenhage het recht op bijstand in over de periode van 1 februari 1997 tot en met 30 november 2001 en vorderde de gemaakte kosten van €43.516,98 terug. Dit omdat appellanten zonder melding werkzaamheden verrichtten in een snackbar.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren, gelet op de werkzaamheden die appellanten verrichtten zonder dit te melden, wat in strijd is met de inlichtingenplicht van artikel 65 Abw Pro.

De Raad baseerde zich onder meer op verklaringen van appellanten en hun zoon aan de politie en observaties waaruit bleek dat zij dagelijks werkzaamheden verrichtten zoals openen, koffie zetten, snacks bereiden, administratie bijhouden en betalingen doen. Het ontbreken van inkomsten uit deze werkzaamheden doet hieraan niet af. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens niet-melding van werkzaamheden.

Uitspraak

03/2792 NABW en 03/2794 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellanten], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellanten heeft mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2003, reg.nr. 02/3265 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadien nog nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005 waar appellanten - met bericht - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Aan appellanten is met ingang van 23 september 1996 (weer) bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden toegekend.
Bij besluit van 28 januari 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode van 1 februari 1997 tot en met 30 november 2001 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand, een bedrag € 43.516,98, van hen teruggevorderd. Gedaagde heeft overwogen dat appellanten, zonder dat zij gedaagde hiervan op de hoogte hadden gesteld, gedurende het genoemde tijdvak werkzaamheden hebben verricht in de snackbar “[naam snackbar]”, waardoor geen recht op bijstand bestond.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juli 2002 ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij de rechtbank beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 november 2002 heeft gedaagde het besluit van 12 juli 2002 ingetrokken en een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellanten gegeven, waarbij dat bezwaar eveneens ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het besluit van 12 juli 2002 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 4 november 2002. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2002 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van
4 november 2002 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover hierbij het beroep tegen het besluit van 4 november 2002 ongegrond is verklaard.
De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat gedaagde terecht het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 2001 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft ingetrokken en vervolgens de kosten van bijstand over de periode van 1 februari 1997 tot en met
30 november 2001 met toepassing van artikel 65, eerste lid, van de Abw in verbinding met artikel 81, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997) en met toepassing van artikel 81, eerste lid (tekst vanaf 1 juli 1997) heeft teruggevorderd. Van dringende redenen om van intrekking respectievelijk terugvordering af te zien is (ook) de Raad niet gebleken.
De Raad wijst in dit verband op de door appellanten alsmede hun zoon tegenover de politie afgelegde verklaringen, zoals die blijken uit de nader door gedaagde toegezonden stukken. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat appellanten in ieder geval tijdens de hier in geding zijnde periode dagelijks, waaronder ook de weekenden, werkzaamheden in de genoemde snackbar hebben verricht. Ook uit observaties is gebleken dat appellanten in de snackbar activiteiten verrichtten. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het openen van de zaak, het zetten van koffie, het bereiden en verkopen van snacks, het bijhouden van de administratie en het betalen van de rekeningen. Deze werkzaamheden zijn op geld waardeerbaar en derhalve voor de toepassing van de Abw van belang. Dat appellanten, zoals zij hebben aangevoerd, met deze activiteiten geen inkomsten hebben verworven doet hieraan niet af.
Vast is ook komen te staan dat appellanten deze werkzaamheden nimmer aan gedaagde hebben gemeld zodat zij hiermee in strijd hebben gehandeld met de op hen ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
GdJ
102