Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8316

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1355 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 39 AbwArt. 4 AbwArt. 16 AbwArt. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bijzondere bijstand wegens onderhoudsverplichting

Appellant, gehuwd en met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op bijstandsniveau, vroeg bijzondere bijstand aan voor de ouderbijdrage van f 344,10 per maand aan het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wegens uithuisplaatsing van twee kinderen onder toezicht. De gemeente Leiden wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn. De Raad stelt vast dat appellant geen kinderbijslag ontvangt voor de kinderen, waardoor zij volgens de Algemene bijstandswet niet tot zijn gezin behoren. De ouderbijdrage vloeit voort uit zijn onderhoudsplicht op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Daarom kwalificeert de ouderbijdrage als alimentatiekosten die niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend en dus niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het besluit van 19 februari 2002 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. De gemeente moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor de ouderbijdrage wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

03/1355 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J. Mons, werkzaam bij Stichting Maatschappelijke Dienst-verlening Midden Holland te Leiden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 februari 2003, reg.nr 02/1283 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005 waar appellant met zijn gemachtigde is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Minderhoud, werkzaam bij de gemeente Leiden.
II. MOTIVERING
Appellant is gehuwd en ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten minste ter hoogte van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Hij heeft op 2 mei 2001 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in de kosten van de door hem aan het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen verschuldigde ouderbijdrage van in totaal f 344, 10 per maand in verband met de uithuisplaatsing van twee van zijn kinderen die onder toezicht zijn gesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant voor deze kinderen geen aanspraak kan maken op kinderbijslag.
Gedaagde heeft bij besluit van 25 mei 2001 deze aanvraag afgewezen.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 19 februari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 19 februari 2002 ingestelde beroep onge-grond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het geval van appellant geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot noodzakelijke kosten waarin de bijstand niet voorziet en die de eigen draagkracht te boven gaan.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad begrijpt het besluit op bezwaar aldus dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat er in het geval van appellant geen sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan de hier in geding zijnde kosten niet uit de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen worden voldaan.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 3 februari 2004, LJN A03476, gepubliceerd in RSV 2004/124 en USZ 2004/87, komt de Raad tot de conclusie dat het besluit op bezwaar van 19 februari 2002 niet op een deugdelijke motivering berust.
Appellant kan voor de kinderen, ten behoeve van wie hij de aanvraag om bijzondere bij-stand heeft ingediend, geen aanspraak maken op kinderbijslag zodat op grond van artikel 4, aanhef en onder c en e, van de Abw die kinderen, in het kader van de toepassing van de Abw niet tot het gezin van appellant behoren. In verband hiermee en in aanmerking genomen dat de door appellant op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening ver-schuldigde ouderbijdrage rechtstreeks voortvloeit uit het feit dat hij op grond van artikel 1:392, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor die kinderen onderhoudsplichtig is, dienen de hier in geding zijnde kosten te worden beschouwd als kosten ter voldoening van een alimentatieverplichting als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder a, van de Abw. Op grond van deze bepaling kunnen deze kosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant worden gerekend en derhalve evenmin als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Abw.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 19 februari 2002 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 februari 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat de gemeente Leiden aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
GdJ
102