ECLI:NL:CRVB:2005:AS7912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken woonplaats in bijstandsgemeente
Appellante ontving een bijstandsuitkering die werd beëindigd per 1 juli 2001 op grond van het feit dat zij niet langer woonde in de bijstandsgemeente ’s-Gravenhage. Dit besluit was gebaseerd op een onderzoek van de sociale recherche, waarin werd vastgesteld dat appellante feitelijk niet woonde op het door haar opgegeven adres.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de woonplaats moet worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie en dat appellante verplicht is juiste informatie te verstrekken.
De onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van buurtbewoners en het lage water- en energieverbruik op het opgegeven adres, ondersteunen het standpunt dat appellante niet daadwerkelijk woonde op het opgegeven adres. Ook de stelling dat haar geestestoestand haar afwezigheid verklaart, werd niet aannemelijk geacht.
Hierdoor kon appellante vanaf 1 juli 2001 geen aanspraak meer maken op bijstand van de gemeente ’s-Gravenhage. De Raad ziet geen aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante wordt terecht beëindigd wegens het ontbreken van woonplaats in de gemeente ’s-Gravenhage.