ECLI:NL:CRVB:2005:AS6513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ongeoorloofde afwezigheid en ontslag
Appellant was sinds maart 2001 in dienst als schoonmaker en had op 6 november 2001 een afspraak bij de arbodienst. Na dit bezoek verscheen hij niet meer op het werk, waarop de werkgever hem op staande voet ontsloeg. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad stelde vast dat appellant zich niet aan de regels hield, eerder ongeoorloofd afwezig was geweest en collega’s had bedreigd. De spanningen op het werk waren hoog, mede door problemen met salarisbetalingen en een staking.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag zou leiden tot beëindiging van de dienstbetrekking. Het feit dat de kantonrechter het ontslag op een later moment vaststelde, deed hieraan niet af. Het beroep werd afgewezen en het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren bleef in stand.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zijn gedrag.