Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWerkloosheidswetZiektewet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging nietigheid ontslag tijdens proeftijd na arbeidsongeval en weigering uitkering
Appellant trad op 18 april 2001 in dienst bij een werkgever met een proeftijd van een maand. Op 2 mei 2001 raakte hij gewond door een arbeidsongeval en meldde zich ziek. De werkgever ontsloeg appellant op 3 mei 2001 met verwijzing naar het proeftijdbeding.
Gedaagde stelde dat het proeftijdbeding ongeldig was volgens de toepasselijke CAO, waardoor het ontslag nietig was en appellant een loonvordering had kunnen instellen. Daarom weigerde gedaagde uitkeringen op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet wegens benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en oordeelde dat het proeftijdbeding niet rechtsgeldig was en appellant loon had kunnen vorderen. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan, wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat het ontslag tijdens de proeftijd niet rechtsgeldig was.
Uitspraak
03/638 WW
03/639 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. B. Willemsen, advocaat te Nijmegen, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 30 december 2002 onder de nummers 01/2306, 02/395 en 02/396 tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak) waarbij onder meer de beroepen van appellant tegen de besluiten van gedaagde van 14 januari 2002 (bestreden besluit I) en 20 februari 2002 (bestreden besluit II) ongegrond werden verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 december 2004, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant is op 18 april 2001 in dienst getreden bij [besloten vennootschap], handelend onder de naam [naam werkgever] (hierna: de werkgever) voor een periode van vijf maanden, met een proeftijd van een maand. Op 2 mei 2001 heeft appellant een ongeval op de werkplek gehad, waarbij hij aan zijn voet werd gewond. In verband met deze verwonding heeft appellant zich ziek gemeld. De volgende dag, 3 mei 2001, heeft de werkgever, onder verwijzing naar het proeftijdgeding, appellant per die dag ontslagen.
Gedaagde heeft bij de bestreden besluiten, kort samengevat, onder verwijzing naar de van toepassing zijnde CAO, gesteld dat het proeftijdbeding ongeldig was, dat appellant de nietigheid daarvan en van het ontslag kon inroepen en dat op de werkgever een loondoorbetalingsverplichting rustte, om welke reden gedaagde wegens het plegen van een benadelingshandeling uitkering ingevolge de Ziektewet over de periode van 2 mei 2001 tot 5 juni 2001 en uitkering ingevolge de Werkloosheidswet over de periode van 5 juni 2001 tot 17 september 2001 heeft geweigerd.
De rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard onder de overweging dat het proeftijdbeding, gelet op de van toepassing zijnde CAO, niet rechtsgeldig was en dat appellant derhalve wegens de nietigheid van het ontslag een loonvordering had kunnen instellen.
De Raad verenigt zich geheel met hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, is een volledige herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en in beroep is gesteld, en behoeft dan ook geen bespreking meer. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.