Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4579

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5651 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WW-uitkering en weigering vergoeding bezwaar kosten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen inzake de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WW-uitkering en de weigering tot vergoeding van kosten gemaakt in bezwaar.

De Raad toetst het geschil aan de Werkloosheidswet en bevestigt dat het teruggevorderde bedrag correct is berekend, inclusief vakantiebijslag. Daarnaast oordeelt de Raad dat de kosten die appellant in bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het primaire besluit niet onrechtmatig is verklaard en de terugvordering uit coulance is beperkt tot het netto onverschuldigde bedrag.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering en weigering van kostenvergoeding bevestigd.

Uitspraak

03/5651 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 oktober 2003, nr. 03/90 WW 58, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Bij besluit van 5 februari 2002 heeft gedaagde van appellant het door hem aan appellant onverschuldigd betaalde bedrag van € 360,76 bruto teruggevorderd. Bij besluitvan 2 juli 2002 heeft gedaagde beslist het nog openstaande bedrag van € 286,99 in één termijn te verrekenen met appellants WW-uitkering. Na gemaakt bezwaar heeft appellant bij het bestreden besluit van 10 december 2002 met betrekking tot het besluit van 5 februari 2002 beslist dat volstaan kan worden met een netto terugbetaling, heeft hij het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2002 ongegrond verklaard en beslist dat kosten die appellant in verband met het bezwaar claimt niet vergoed worden.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende met betrekking tot hetgeen partijen in hoger beroep verdeeld houdt.
4.1. In geding is uitsluitend het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering en op de weigering kosten van appellant in bezwaar gemaakt te vergoeden.
4.2. Appellant stelt in de eerste plaats dat de terugvordering van hetgeen in week 44 van 2001 aan voorschot zou zijn betaald onjuist is. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De Raad kan appellant niet volgen in het betoog dat met betrekking tot die week bij de terugvordering een onjuist bedrag is gehanteerd, gezien het in een brief van gedaagde van 31 januari 2002 genoemd bedrag aan toegekende uitkering. Het blijkens het bestreden besluit per dag verrekende bedrag komt overeen met het in die brief vermelde bedrag, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, zodat de Raad geen aanleiding heeft het bestreden besluit op dat punt voor onjuist te houden.
4.3. Ten aanzien van de beweerdelijk in de bezwaarfase gemaakte kosten onderschrijft de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat die kosten reeds niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat geen sprake is van een door gedaagde als onrechtmatig erkend primair besluit. De rechtbank overweegt terecht dat gedaagde uitsluitend uit coulance-overwegingen heeft besloten de terugvordering te beperken tot hetgeen netto onverschuldigd is betaald.
5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.
(get.) T. Hoogenboom
(get.) L. Karssenberg