ECLI:NL:CRVB:2005:AS3473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij intrekking bijstandsuitkering
Appellante werd een boete opgelegd wegens het niet melden van het regelmatig verblijf van haar gewezen echtgenoot in haar woning, waardoor zij haar inlichtingenverplichting volgens artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) schond. De rechtbank had de boete vastgesteld op € 979, wat 10% van het benadelingsbedrag betrof.
In hoger beroep betoogde appellante dat een deel van het bewijsmateriaal onrechtmatig was verkregen en dat dit een dringende reden vormde om af te zien van de boete. De Raad verwierp dit standpunt omdat dringende redenen slechts kunnen bestaan uit uitzonderlijke sociale of financiële consequenties, welke hier niet waren aangetoond.
De Raad bevestigde dat het niet opzettelijk verzwegen verblijf van de gewezen echtgenoot toch verwijtbaar is en dat de boete terecht werd opgelegd. Tevens werd overwogen dat de boete als bestraffing in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) geldt, maar dat de hoogte ervan conform de geldende regelgeving is vastgesteld. De Raad zag geen aanleiding tot het toewijzen van proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete van € 979 wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.