ECLI:NL:CRVB:2005:AS3446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2579 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • M. Greebe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking besluit en niet-ontvankelijkheid hoger beroep met proceskostenveroordeling

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Tijdens de procedure heeft gedaagde, het UWV, het besluit op bezwaar ingetrokken, waardoor het belang van appellante bij de procedure is komen te vervallen.

De Raad heeft daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Wel heeft de Raad overwogen dat het UWV aansprakelijk is voor de proceskosten van appellante in zowel eerste aanleg als hoger beroep, omdat het UWV tot vlak voor de zitting onzekerheid heeft laten bestaan over het besluit en appellante verplicht was te verschijnen.

De proceskosten zijn begroot op in totaal €1.610,--, waarvan €644,-- voor de eerste aanleg en €966,-- voor het hoger beroep. Tevens is bepaald dat het UWV de reeds betaalde rechten van respectievelijk €218,-- en €348,-- aan appellante vergoedt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.610,-- aan appellante.

Uitspraak

03/2579 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 26 mei 2003 heeft J.H.C. van Dongen, sociaal-juridisch medewerker bij Metaalunie te Nieuwegein, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 7 april 2003, nummer 02/803, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad van 21 september 2004, waar voornoemde gemachtigde is verschenen namens appellante en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. K.D. van Someren en
E.I. van Dompselaar.
Na behandeling van het geding is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer, waarna de behandeling is voortgezet.
Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2004, waar - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - namens appellante is verschenen haar gemachtigde en waar namens gedaagde - eveneens na ambtshalve oproeping - is verschenen mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Voorafgaand aan de zitting van 25 november 2004 heeft gedaagde bij brief van 22 november 2004 medegedeeld dat een grondslag voor het besluit op bezwaar van 20 maart 2002 ontbreekt en dat dat besluit wordt ingetrokken. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het belang aan de onderhavige procedure is komen te ontvallen.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante reeds naar aanleiding van de enkelvoudige zitting in hoger beroep had kunnen concluderen dat het besluit niet zou worden gehandhaafd, zodat ten behoeve van de proceskostenveroordeling in hoger beroep slechts één zitting in aanmerking dient te worden genomen. De Raad volgt gedaagde niet in dit standpunt, aangezien gedaagde zelf tot enkele dagen voor de zitting van de meervoudige kamer onzekerheid heeft laten bestaan omtrent het besluit. Indien gedaagde naar aanleiding van de eerste zitting meende dat het besluit niet kon worden gehandhaafd, had het op de weg van gedaagde gelegen daarvan tijdig mededeling te doen en onder intrekking van dat besluit een nieuw besluit te nemen. Overigens wijst de Raad erop dat appellante - evenals gedaagde - door de Raad is opgeroepen bij gemachtigde ter zitting op 25 november 2004 te verschijnen, zodat appellante niet de vrijheid had om van het verschijnen ter zitting af te zien.
Deze kosten worden derhalve in eerste aanleg begroot op € 644,-- en in hoger beroep op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.610,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.610,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde recht van respectievelijk € 218,-- en € 348,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.