ECLI:NL:CRVB:2004:AS3617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken tijdige machtiging in Ziektewetzaak
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van de Ziektewet. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant niet tijdig een schriftelijke machtiging had overgelegd, zoals vereist volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Namens appellant werd beroep aangetekend door een gemachtigde, W.F. de Gruijter, maar het beroepschrift was niet ondertekend door appellant en er ontbrak een machtiging. Ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank om een volmacht te overleggen, werd deze niet tijdig ingediend. De gemachtigde stelde dat hij de machtiging in augustus 2003 had verzonden, maar kon dit niet overtuigend aantonen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het niet-ontvankelijk verklaren door de rechtbank terecht was, omdat appellant onvoldoende heeft gereageerd op de verzoeken om het verzuim te herstellen. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep wordt bevestigd als niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een schriftelijke machtiging.