ECLI:NL:CRVB:2004:AS2529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen appellant en adviesbureau
Appellant, eigenaar van een juridisch adviesbureau, verrichtte vanaf mei 1998 juridische werkzaamheden voor de gemeente Hengelo. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) handhaafde het standpunt dat tussen appellant en het adviesbureau een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding bestond. De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.
De Raad overwoog dat voor de periode vóór 1 januari 1999 onvoldoende bewijs was dat appellant onder direct werkgeversgezag van het adviesbureau stond, aangezien hij zijn werkzaamheden verrichtte op het gemeentehuis onder toezicht van de gemeente. Dit leidde tot de conclusie dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot het adviesbureau, conform artikel 7:690 BW Pro.
Voor de periode na 1 januari 1999 bevestigde de Raad dat de arbeidsverhouding als een uitzendovereenkomst moet worden beschouwd, waarbij de driepartijenrelatie (werkgever, werknemer, derde) centraal staat. De Raad stelde vast dat appellant niet als zelfstandige werkte, mede vanwege zijn economische afhankelijkheid en geringe investeringen.
De Raad wees ook op de tussenkomstregelgeving, waarbij het adviesbureau als loonbetalende instantie fungeert. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verzekeringsplichtige arbeidsverhouding bevestigd.