ECLI:NL:CRVB:2004:AR8498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van het inkomen van echtgenoot op AOW-toeslag
Appellante ontvangt een AOW-pensioen en een toeslag voor haar echtgenoot die een rundvee- en varkenshouderij exploiteert. In 2000 werd een winstaandeel van f 38.389,- aan de echtgenoot toegekend, waarbij een arbeidsbeloning voor appellante werd afgetrokken in de fiscale aangifte. Gedaagde bracht het inkomen van de echtgenoot vast op f 1.433,72 per maand, waarbij de arbeidsbeloning niet in mindering werd gebracht op de winst voor de AOW-toeslag.
Appellante betwistte dit en voerde aan dat de arbeidsbeloning wel in mindering gebracht moest worden en dat zij en haar echtgenoot niet samenwerkten in de uitoefening van het bedrijf. De Raad stelde vast dat appellante en haar echtgenoot wel degelijk samenwerkten, waarbij de winst naar rato van arbeidsinbreng werd verdeeld. De wijze van toerekening achtte de Raad redelijk en aanvaardbaar.
De Raad oordeelde dat de arbeidsbeloning niet van de winst afgetrokken mag worden voor de AOW-toeslag, omdat deze in een ander hoofdstuk van de Wet op de Inkomstenbelasting is geregeld dan de winst waarop het Besluit AOW zich baseert. Ook werd gewezen op het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst over de arbeidsbeloning, waardoor manipulatie van de winst mogelijk is.
Daarmee kon het hoger beroep niet slagen en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het inkomen van de echtgenoot terecht gedeeltelijk in mindering is gebracht op de AOW-toeslag.