ECLI:NL:CRVB:2004:AR8178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie voor 2001 ondanks regresrecht werkgever
Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2001 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De premie was mede gebaseerd op een WAO-uitkering toegekend aan een ex-werknemer die in januari 1998 arbeidsongeschikt werd. Appellante voerde aan dat het willekeurverbod en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden en dat haar procespositie werd benadeeld doordat geen rekening werd gehouden met het regresrecht op de schadeveroorzaker.
De rechtbank Utrecht had het beroep van appellante eerder ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de uitvoering van de WAO niet automatisch leidt tot ongelijke behandeling van premieplichtigen. Daarnaast werd het bezwaar over de procespositie afgewezen, mede omdat appellante toegang had tot de relevante medische stukken via bezwaar en beroep tegen het WAO-toekenningsbesluit.
Ten aanzien van het regresrecht stelde de Raad vast dat omslagleden zoals appellante geen regresrecht toekomt omdat zij geen betalingen doen die voor verhaal in aanmerking komen. Dit onderscheid tussen omslagleden en eigenrisicodragers is juridisch gegrond. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen of te wijzigen.
Uitkomst: De vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie voor 2001 wordt bevestigd ondanks het ontbreken van regresrecht voor de werkgever.