ECLI:NL:CRVB:2004:AR8178

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5150 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie voor 2001 ondanks regresrecht werkgever

Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2001 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De premie was mede gebaseerd op een WAO-uitkering toegekend aan een ex-werknemer die in januari 1998 arbeidsongeschikt werd. Appellante voerde aan dat het willekeurverbod en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden en dat haar procespositie werd benadeeld doordat geen rekening werd gehouden met het regresrecht op de schadeveroorzaker.

De rechtbank Utrecht had het beroep van appellante eerder ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de uitvoering van de WAO niet automatisch leidt tot ongelijke behandeling van premieplichtigen. Daarnaast werd het bezwaar over de procespositie afgewezen, mede omdat appellante toegang had tot de relevante medische stukken via bezwaar en beroep tegen het WAO-toekenningsbesluit.

Ten aanzien van het regresrecht stelde de Raad vast dat omslagleden zoals appellante geen regresrecht toekomt omdat zij geen betalingen doen die voor verhaal in aanmerking komen. Dit onderscheid tussen omslagleden en eigenrisicodragers is juridisch gegrond. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen of te wijzigen.

Uitkomst: De vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie voor 2001 wordt bevestigd ondanks het ontbreken van regresrecht voor de werkgever.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5150 WAO
U I T S P R A A K
in het gedin[vestigingsplaats]
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van
28 november 2000, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 heeft vastgesteld op 4,77%. Daarbij is de in 1999 aan een ex-werknemer van appellante betaalde WAO-uitkering in aanmerking genomen.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 augustus 2002, kenmerk 01/1730, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is J.H.C. van Dongen, sociaal-juridisch medewerker bij de Metaalunie te Nieuwegein, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004. Daar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door
J.H.C. van Dongen, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De hoogte van de voor 2001 vastgestelde gedifferentieerde premie is (mede) gebaseerd op de aan [naam werknemer] door gedaagde bij besluit van 10 maart 1999 met ingang van 18 januari 1999 toegekende WAO-uitkering. Deze werknemer was gedurende enige dagen in januari 1998 in dienst van appellante en is in die periode arbeidsongeschikt geworden. Het besluit van 10 maart 1999 is in afschrift aan appellante gezonden.
De rechtbank heeft het beroep op schending van het willekeurverbod terecht verworpen. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan appellante niet volstaan met de stelling dat de uitvoering van de WAO te wensen overlaat. Als die stelling al als juist zou moeten worden aanvaard, dan nog volgt daaruit niet dat appellante daardoor, (middellijk) een andere behandeling ten deel is gevallen dan andere (groepen van) premieplichtige werkgevers. Verder is het de rechter niet toegestaan om de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen.
De tweede grief van appellante betreft de inbreuken die naar haar mening worden gemaakt op de procespositie van de werkgever.
Voor zover deze grief betrekking had op de vraag of de WAO premiedifferentiatie-regeling als ‘criminal charge’ is aan te merken kan bespreking achterwege blijven nu de grief in zoverre is ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling.
Voor zover deze grief betrekking heeft op de onvolledige verstrekking van informatie over het onderhavige Ziektewet/WAO-dossier wijst de Raad erop dat appellante bezwaar, beroep en hoger beroep heeft ingesteld tegen het WAO-toekenningsbesluit van werknemer Roelen en zo kennis heeft kunnen nemen van de aan dat besluit ten grondslag liggende medische stukken.
De bewuste werknemer is volgens appellante in januari 1998 arbeidsongeschikt geworden door toedoen van een derde. Gedaagde heeft aan deze werknemer met ingang van januari 1999 een WAO-uitkering toegekend en, op basis van de uit hoofde van deze toekenning in het jaar 1999 betaalde uitkering, de door appellante voor het premiejaar 2001 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie vastgesteld. Appellante heeft bezwaar tegen het feit dat gedaagde bij de vaststelling van deze premie geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van regres van gedaagde op de schadeveroorzaker. Daarbij wijst appellante erop dat haar, als niet-eigenrisicodraagster, geen regresrecht toekomt.
Appellante signaleert terecht dat haar als omslaglid, anders dan aan de eigenrisicodragende werkgever en gedaagde, geen regres toekomt. De Raad wijst erop dat omslagleden, zoals appellante, geen betalingen doen die voor verhaal in aanmerking komen, zodat regresrecht voor hen geen juridisch adequaat middel zou zijn. De Raad verwijst verder naar zijn uitspraak van 22 januari 2004, RSV 2004, 110.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op
16 december 2004.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A. Kovács.