ECLI:NL:CRVB:2004:AR7497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) en de latere Abw. Na een fraudemelding voerde de sociale recherche een onderzoek uit waaruit bleek dat appellante inkomsten uit arbeid had en een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, zonder dit te melden. Hierdoor werd de inlichtingenplicht geschonden.
Het College van burgemeester en wethouders van Leiden had het recht op bijstand over de periode van 1 maart 1996 tot 28 februari 1998 ingetrokken en de bijstandskosten teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante vanaf 1 maart 1996 geen zelfstandig recht op bijstand meer had vanwege de gezamenlijke huishouding.
De Raad stelde vast dat het besluit over de periode van 1 april tot 1 juni 1996 op een onjuiste wettelijke grondslag berustte en vernietigde dit deel van het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De schending van de inlichtingenplicht werd bevestigd en de terugvordering werd als terecht beoordeeld. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt deels vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de gemeente wordt veroordeeld in proceskosten.