ECLI:NL:CRVB:2004:AR6896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstandsuitkering aan zelfstandige op basis van bedrijfsinkomsten
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda inzake de terugvordering van bijstandsuitkering toegekend als renteloze geldlening op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).
De bijstand werd toegekend over de periode van 8 juni 1998 tot 1 oktober 1999. Gedaagde had de bijstand definitief vastgesteld op basis van de jaarstukken 1998, wat leidde tot omzetting van een deel van de lening in een bedrag om niet en een terugvordering van het restant. Appellante betwistte onder meer dat bij de terugvordering rekening mocht worden gehouden met bedrijfsinkomsten voorafgaand aan de bijstandsperiode.
De Raad oordeelt dat het netto inkomen over het gehele boekjaar bepalend is voor de definitieve vaststelling van de bijstand, ook als de bijstand slechts over een deel van dat jaar is verleend. Dit volgt uit artikel 10 van Pro het Bbz en artikel 47 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) en de bijbehorende wetsgeschiedenis. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gebleken.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bij de terugvordering van bijstandsuitkering het netto inkomen over het gehele boekjaar, inclusief inkomsten voorafgaand aan de bijstandsperiode, moet worden betrokken.