ECLI:NL:CRVB:2004:AR6893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering wegens niet-melding gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1 juli 1996 een uitkering op grond van de IOAZ. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant en appellante een gezamenlijke huishouding voerden, stelde de sociale recherche een onderzoek in. Dit onderzoek, inclusief huisbezoek, observaties en verklaringen, toonde aan dat appellant vanaf 1 juni 1997 feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met appellante.
Op basis hiervan heeft gedaagde het recht op uitkering van appellant ingetrokken en de te veel betaalde bedragen teruggevorderd, ook van appellante als mede-verantwoordelijke. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en het beroep van appellant deels gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor de uitkering ten onrechte werd verstrekt. Er zijn geen dringende redenen gevonden om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de IOAZ-uitkering wegens niet-melding van gezamenlijke huishouding.