ECLI:NL:CRVB:2004:AR6806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens en peildatum beoordeling
Appellante ontving vanaf april 1999 een bijstandsuitkering. De gemeente Amsterdam beëindigde deze uitkering per 1 januari 2001 op grond van een vastgesteld vermogen dat de vermogensgrens overschreed. De gemeente rekende inkomsten uit freelancewerk over een langere periode bij elkaar op en kwalificeerde het surplus als vermogen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en hield de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Appellante ging in hoger beroep en betoogde dat de peildatum voor de vermogensvaststelling verkeerd was gehanteerd en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand waren gelaten. De Raad oordeelde dat de vermogenspositie uitsluitend op de peildatum (1 januari 2001) beoordeeld mag worden en niet op een eerdere datum. De gehanteerde methode van vermogensvaststelling was niet wettelijk gegrond.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen in stand werden gelaten en bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens wees de Raad op de noodzaak rekening te houden met schulden en niet te anticiperen op toekomstige belastingaanslagen bij vermogensvaststelling. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg werd gehandhaafd, en de gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en beperkte reiskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en de gemeente dient een nieuw besluit te nemen.