ECLI:NL:CRVB:2004:AR6397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindigingsovereenkomst
Appellant trad in februari 2001 in dienst bij een werkgever en sloot in de zomer van 2001 een beëindigingsovereenkomst waarin was bepaald dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen indien hij niet op 16 juli 2001 zijn werk hervatte. Appellant onderging een medische ingreep in Marokko en kon daardoor niet op tijd terugkeren. De werkgever werd niet adequaat geïnformeerd over zijn situatie.
De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst en appellant vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het ontslag voorzienbaar was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onder dwang de beëindigingsovereenkomst had getekend en dat overmacht hem verhinderde op tijd te werken. De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende te informeren en dat geen sprake was van dwang. De weigering van de WW-uitkering werd bevestigd.
De Raad zag geen reden om proceskosten toe te kennen en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.