ECLI:NL:CRVB:2004:AR6029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1994 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van informatie dat zij samenwoonde met haar partner, voerde het College van burgemeester en wethouders een onderzoek uit. Dit onderzoek, inclusief observaties en verklaringen, wees uit dat appellante en haar partner van maart 2000 tot maart 2001 een gezamenlijke huishouding voerden, zonder dit te melden.
Op basis hiervan trok het College de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het beroep af. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar verklaring over het samenwonen onjuist was, ondersteund door een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
De Raad oordeelde echter dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren en dat appellante aan haar verklaring moest worden gehouden. De vraag of de partner voldoende middelen had was niet relevant. Door het verzwegen samenwonen schond appellante haar inlichtingenplicht, waardoor het College terecht intrekking en terugvordering toepaste.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.