ECLI:NL:CRVB:2004:AR5646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. Van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande. Na melding dat een kostgangster bij haar woonde, startte de gemeente een onderzoek vanwege vermoedens van schending van de inlichtingenplicht.
De sociale recherche concludeerde dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met de kostgangster, wat zij niet had gemeld. Op grond hiervan werd de bijstand over de periode van 1 februari 1997 tot 8 november 1999 ingetrokken en teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat sprake was van een kostgangersrelatie, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen en het onderzoek een gezamenlijke huishouding aantonen. De intrekking en terugvordering zijn daarmee terecht en het hoger beroep wordt afgewezen.
De Raad bevestigt het besluit van de gemeente en de uitspraak van de rechtbank Zutphen, waarmee de intrekking en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand standhouden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.