ECLI:NL:CRVB:2004:AR5549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens nietig ontslag zonder schriftelijk proeftijdbeding
Appellant was sinds 18 oktober 2000 werkzaam als timmerman bij een bouwbedrijf en werd op 8 december 2000 ontslagen. Hij vroeg op 15 december 2000 een WW-uitkering aan, waarbij hij stelde dat hij in de proeftijd was ontslagen en geen schriftelijk contract had. De werkgever overhandigde een niet-ondertekende arbeidsovereenkomst met een proeftijd van 8 weken.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door het niet aanvechten van het ontslag, dat buiten een geldige proeftijd zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het ontbreken van een ondertekend proeftijdbeding betekende dat het ontslag niet rechtsgeldig was en dat appellant zich tegen het ontslag had moeten verzetten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er wel degelijk een proeftijd was overeengekomen en dat zijn broer in een vergelijkbare situatie wel een WW-uitkering kreeg. De Raad stelde echter vast dat het proeftijdbeding schriftelijk en ondertekend moet zijn volgens artikel 7:652 lid 2 BW Pro en dat dit bij appellant ontbrak. Het feit dat zijn broer wel een geldig proeftijdbeding had, deed hieraan niets af.
De Raad oordeelde dat appellant passief heeft meegewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking door het niet aanvechten van het niet-rechtsgeldige ontslag, waardoor de weigering van de WW-uitkering terecht was. Er was geen dringende reden om van de maatregel af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens nietig ontslag zonder schriftelijk overeengekomen proeftijdbeding.