ECLI:NL:CRVB:2004:AR5290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf 1987 algemene bijstand, laatstelijk als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een proces-verbaal en onderzoek van sociale recherche stelde gedaagde vast dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, waarop de bijstandsuitkering werd beëindigd en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde beroep tegen beëindiging per 7 september 1999 ongegrond, maar vernietigde besluiten voor eerdere periodes wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigt dat appellante vanaf 7 september 1999 geen zelfstandig recht op bijstand had vanwege gezamenlijke huishouding met wederzijdse verzorging.
Voor de periode van 21 augustus 1997 tot 1 juni 1999 is onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding, waardoor besluiten tot intrekking en terugvordering voor deze periode worden vernietigd. Voor de periode vanaf 1 juni 1999 tot 6 september 1999 is wel sprake van gezamenlijke huishouding en schending van inlichtingenplicht, waardoor terugvordering gerechtvaardigd is.
De Raad beveelt dat gedaagde nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze overwegingen en veroordeelt de gemeente Arnhem tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering vernietigd voor perioden zonder gezamenlijke huishouding, beëindiging uitkering per 7 september 1999 bevestigd, gemeente Arnhem veroordeeld in proceskosten.