ECLI:NL:CRVB:2004:AR4881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf december 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder, terwijl zij volgens een opsporingsonderzoek feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot. Zij had dit niet gemeld, waarmee zij haar inlichtingenplicht schond.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet duurzaam gescheiden leefde en dat de gemeente de uitkering terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij en haar echtgenoot slechts schijn ophielden vanwege culturele redenen, maar de Raad stelde dat alleen de feitelijke situatie van belang is.
De Raad bevestigde dat de uitkering terecht was ingetrokken en teruggevorderd, omdat appellante niet als zelfstandig subject recht had op de uitkering. Ook het feit dat zij strafrechtelijk was vrijgesproken van valsheid in geschrifte deed hieraan niets af. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd omdat appellante niet duurzaam gescheiden leefde en haar inlichtingenplicht schond.