ECLI:NL:CRVB:2004:AR4569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5326 WAO + 03/5327 WAO + 03/5328 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 WAOArt. 87e WAO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en bezwaar tegen toekenning WAO-uitkering

In deze zaak hebben drie werkgevers bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het jaar 2002. De premieberekening was mede gebaseerd op de WAO-uitkering die aan betrokkene was toegekend.

De werkgevers voerden aan dat hen de mogelijkheid was onthouden om bezwaar te maken tegen het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene. Dit betoog werd door de Centrale Raad van Beroep verworpen, omdat artikel 87e van de WAO bepaalt dat bezwaren tegen de toekenning van een WAO-uitkering niet in een procedure over de gedifferentieerde premie kunnen worden ingebracht.

De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het bezwaar van de werkgevers ongegrond werd verklaard. Ook het beroep op onvoldoende controle op reïntegratie-inspanningen slaagde niet. De uitspraak van 30 september 2004 bevestigt de rechtmatigheid van de premieberekening en sluit de mogelijkheid uit om via deze weg bezwaar te maken tegen de toekenning van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak dat het bezwaar tegen de toekenning van de WAO-uitkering niet ontvankelijk is in het premiedossier.

Uitspraak

03/5326 WAO + 03/5327 WAO + 03/5328 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[werkgever 1], [werkgever 2] en [werkgever 3], alle gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op
15 september 2003 tussen partijen onder kenmerk 02/1603, 02/1649 en 02/1827 gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 augustus 2004, waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en appellanten niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van 20 juni 2002 en 5 augustus 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 26 november 2001, tot vaststelling van de over 2002 ten laste van appellanten komende, gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De hoogte van deze gedifferentieerde premie is telkens mede bepaald op grond van de aan [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) met ingang van 4 februari 1999 toegekende WAO-uitkering. Betrokkene was van 1 november 1997 tot 31 oktober 1998 werkzaam in dienst van [werkgever 4]. Appellanten hebben delen van deze onderneming overgenomen. Gedaagde heeft telkens een deel van de aan betrokkene in 2000 betaalde WAO-uitkering voor de berekening van de gedifferentieerde premie aan appellanten toegerekend.
De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad de beroepen van appellanten terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.
In hoger beroep is niet (langer) in geschil de hoogte van het premieloon of de wijze waarop gedaagde toepassing heeft gegeven aan artikel 78, vierde lid, van de WAO.
Het betoog van appellanten dat hen de mogelijkheid is onthouden op te komen tegen het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering aan betrokkene, mist feitelijke grondslag.
Blijkens zijn uitspraak van 4 december 2003, USZ 2004/23, verhindert artikel 87e van de WAO dat een grief die ziet op de toekenning van een WAO-uitkering, daaronder begrepen de ingangsdatum van die uitkering, in een geding omtrent de vaststelling van de gedifferentieerde premie met vrucht kan worden opgeworpen. Uit die uitspraak blijkt tevens dat de door appellanten opgeworpen grief met betrekking tot de (controle op de) reïntegratie-inspanningen door gedaagde niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, en mr. R.C. Stam en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van
M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.