ECLI:NL:CRVB:2004:AR4538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezagsverhouding en verzekeringsplicht directeuren bij aandelenoverdracht
Appellante, actief in agentuur en commissiehandel, voerde hoger beroep tegen een uitspraak waarin werd geoordeeld dat betrokkenen, die als directeuren met een minderheidsbelang in appellante waren, verplicht verzekerd waren ingevolge werknemersverzekeringswetten. De Raad overwoog dat voor het bestaan van een gezagsverhouding doorslaggevend is of een directeur kan worden geschorst of ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders. Dit was hier het geval vanaf het moment dat betrokkenen aandelen verkregen.
De Raad concludeerde dat ondanks het minderheidsbelang en zelfstandige divisievoering, sprake was van een gezagsverhouding. Argumenten van appellante dat schorsing of ontslag onwenselijk zou zijn vanwege de aandelenoverdracht, werden verworpen omdat de koopovereenkomst voorzag in terugkoopverplichtingen bij beëindiging. Ook het beroep op gezamenlijk ondernemerschap faalde, mede gelet op de aandelenverdeling.
Verder oordeelde de Raad dat appellante opzet of grove schuld had in het niet naleven van verzekeringsplicht, omdat zij onvoldoende informatie had ingewonnen bij het UWV. De eerdere uitspraak waar appellante zich op beriep was niet vergelijkbaar. De Raad bevestigde het besluit van 4 december 2001 en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkenen als directeuren in een gezagsverhouding tot appellante stonden en derhalve verplicht verzekerd waren.