ECLI:NL:CRVB:2004:AR4480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding dienstverband
Appellant was sinds 1976 in dienst bij een beveiligingsbedrijf en meldde zich in 1999 ziek met psychische klachten. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd hij geschikt geacht voor aangepast werk, maar pogingen tot werkhervatting bij de werkgever liepen spaak. Appellant verzocht vervolgens via de kantonrechter ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, welke op 1 maart 2001 werd uitgesproken.
De verzekeringsarts constateerde in januari 2001 dat appellant geen beperkingen meer had en geschikt was voor zijn functie, hoewel hervatting zonder goede afspraken risico's met zich meebracht. De arbeidsdeskundige concludeerde dat reïntegratie geen optie meer was, mede door de ontbinding.
Het UWV trok de WAO-uitkering in en weigerde de WW-uitkering blijvend geheel, omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zelf de ontbinding te bewerkstelligen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs het dienstverband had moeten voortzetten en meewerken aan reïntegratie, en dat het beëindigen van het dienstverband zijn eigen werkloosheid heeft gecreëerd.
De Raad ziet geen reden om af te wijken van de weigering van de WW-uitkering en wijst het hoger beroep af. Tevens is geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf zijn arbeidsovereenkomst te laten ontbinden.