ECLI:NL:CRVB:2004:AR4418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding in zaak Anw-uitkering
Gedaagde ontving een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Appellant, de Sociale verzekeringsbank, stelde dat gedaagde en [naam huisgenoot] een gezamenlijke huishouding voerden op 1 juli 1996 en 31 december 1997, ondanks dat [naam huisgenoot] in die periode in een verpleeghuis verbleef. De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor het gezamenlijke huishoudingscriterium.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de verklaringen van partijen en getuigen onvoldoende en tegenstrijdig zijn om vast te stellen dat [naam huisgenoot] zijn hoofdverblijf bij gedaagde had. Ook ontbreken objectieve gegevens zoals dagstaten van het verpleeghuis die het verblijf zouden kunnen bevestigen. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van hoofdverblijf in dezelfde woning zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Anw.
De Raad oordeelt dat het tweede criterium van wederzijdse zorg niet meer besproken hoeft te worden. Tevens wijst de Raad op het feit dat de beleidsregels van appellant met betrekking tot tijdelijke afwezigheid niet aan de besluiten ten grondslag lagen en dus niet in deze procedure kunnen worden betrokken.
De Raad bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde. De uitspraak benadrukt het belang van objectief bewijs bij het vaststellen van het hoofdverblijf en de gezamenlijke huishouding in het kader van de Anw.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.