ECLI:NL:CRVB:2004:AR4353
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving vanaf 26 januari 2000 een WW-uitkering en werd meerdere malen gewezen op zijn verplichting om ten minste één sollicitatie per week te verrichten. Ondanks waarschuwingen, waaronder een brief van 22 juni 2000, beperkte appellant zich in de periode van 1 tot en met 28 januari 2001 tot het inschrijven bij uitzendbureaus en verrichtte hij werkzaamheden via een uitzendbureau.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) legde daarom op 1 februari 2001 een korting van 20% op de uitkering voor 16 weken op, omdat appellant niet aan zijn sollicitatieverplichtingen voldeed. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende had geprobeerd arbeid te verkrijgen en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van de maatregel.
Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat appellant terecht de maatregel opgelegd kreeg. De Raad stelde vast dat appellant zich uitsluitend beperkte tot inschrijving bij uitzendbureaus en geen directe sollicitaties bij werkgevers had gedaan, ondanks duidelijke instructies. Medische beperkingen konden niet worden aangenomen omdat appellant zich pas na de betreffende periode ziek had gemeld.
De Raad benadrukte dat het verrichten van deeltijdwerk de sollicitatieplicht niet opheft zolang er recht op WW-uitkering bestaat. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de korting bevestigd.
Uitkomst: De korting van 20% op de WW-uitkering voor 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten.