ECLI:NL:CRVB:2004:AR4348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag werknemer
Appellant was sinds 1987 in dienst bij de werkgever en kreeg in 1999 de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding toegekend door de kantonrechter. De rechtbank wees het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering af omdat appellant zich zodanig had gedragen dat ontslag voorzienbaar was. In hoger beroep voerde appellant aan dat de vergoeding en goede beoordelingen wijzen op geen verwijtbaar gedrag en dat spanningsklachten zijn gedrag beïnvloedden.
De Raad stelt vast dat er sinds 1991 meerdere incidenten en waarschuwingen waren die de arbeidsrelatie onder druk zetten. Ondanks positieve beoordelingen was er sprake van emotionele reacties op kritiek. Tijdens een gesprek in december 1999 gedroeg appellant zich agressief, waarvoor hij een waarschuwing kreeg. Hij weigerde vervolgens zijn gedrag te verbeteren.
De Raad concludeert dat het gedrag van appellant het ontslag voorspelbaar maakte en dat er geen reden was voor nader onderzoek. Spanningsklachten werden erkend, maar het verwijtbaar gedrag bleef overheersen. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd wegens verwijtbaar gedrag van appellant.