ECLI:NL:CRVB:2004:AR3950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, van Marokkaanse nationaliteit, ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering. Zijn verzoek om een verblijfsvergunning werd definitief afgewezen. De gemeente beëindigde daarom de uitkering per 19 april 2001 op grond van het niet-rechtmatig verblijf in Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beëindiging ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand volgens artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene bijstandswet, en dat de Koppelingswetgeving niet in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
De Raad stelde vast dat appellant behoorde tot de categorie vreemdelingen die onder de oude regeling van de Abw bijstand ontvingen en dit recht behield na invoering van de Koppelingswet, maar dat dit recht eindigde na een definitieve negatieve beslissing op zijn verblijfsaanvraag. De beëindiging van de uitkering werd daarom bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellant wordt beëindigd wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland.