ECLI:NL:CRVB:2004:AR3947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, van Turkse nationaliteit, vroeg op 30 november 1999 een verblijfsvergunning aan op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen. Dit verzoek werd op 11 mei 2000 afgewezen. Vervolgens verzocht appellant op 6 juli 2000 om een bijstandsuitkering, welke door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 31 augustus 2000 werd afgewezen vanwege het niet-rechtmatig verblijf van appellant in Nederland. Dit besluit werd op 2 maart 2001 bevestigd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen recht had op bijstand op grond van de toen geldende Nederlandse regelgeving, waaronder de Vreemdelingenwet en de Algemene bijstandswet. Tevens werd onderzocht of de afwijzing in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de Koppelingswet, die de toegang tot bijstand koppelt aan rechtmatig verblijf, niet in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro voor aanvragen na 1 juli 1998. Appellant viel onder deze categorie. De Raad concludeerde dat de afwijzing van de bijstandsuitkering gerechtvaardigd was en bevestigde het eerdere vonnis. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft.