ECLI:NL:CRVB:2004:AR3940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5875 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1b Vreemdelingenwet (oud)Art. 7 lid 3 Algemene bijstandswet (oud)Art. 1 Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud)Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus niet in strijd met IVBPR artikel 26

Appellant, van Turkse afkomst, heeft meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning ingediend die allen zijn afgewezen, waarbij de afwijzing onherroepelijk werd op 4 december 1997. Ondanks het ontbreken van een geldige verblijfsstatus ontving appellant gedurende bepaalde perioden een bijstandsuitkering. De gemeente Amsterdam beëindigde de bijstand per 1 juni 2000 op grond van het ontbreken van een geldige verblijfsstatus zoals vereist onder de Algemene bijstandswet (Abw).

Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden deze bezwaren ongegrond. De Raad oordeelde dat appellant niet viel onder de categorie vreemdelingen die op grond van de Vreemdelingenwet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld konden worden aan Nederlanders voor het verkrijgen van bijstand.

De Raad bevestigde dat de Koppelingswetgeving, die het recht op bijstand koppelt aan een geldige verblijfsstatus, ook op appellant van toepassing is. Tevens werd geoordeeld dat de beëindiging van de uitkering niet in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin de Raad de rechtmatigheid van de Koppelingswetgeving bevestigde, met uitzondering van bepaalde gevallen waarin bijstand werd verleend onder de oude regeling voor 1 juli 1998.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd en geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5875 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2002, reg.nr. AWB 01/1843.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2004, waar appellant noch zijn gemachtigde is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant, van Turkse afkomst, heeft op 12 juni 1996 een aanvraag voor vergunning tot toelating in Nederland ingediend. De afwijzing van deze aanvraag is op 4 december 1997 onherroepelijk geworden. Op 9 december 1998 heeft appellant opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Tegen het besluit van 4 april 2000, waarbij het bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek ongegrond is verklaard, heeft appellant beroep ingesteld.
Tevens heeft appellant op 26 november 1999 een verzoek om toelating op grond van de zogeheten Tijdelijke regeling witte illegalen ingediend. Tegen het besluit van 4 april 2000, waarbij dit verzoek is afgewezen, heeft appellant bezwaar gemaakt.
Appellant ontving over de periode van 9 september 1996 tot 16 april 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 24 december 1998 heeft gedaagde appellant opnieuw bijstand verleend. Op de grond dat appellant niet over een geldige verblijfsstatus beschikte in de zin van de Abw heeft gedaagde deze bijstand bij besluit van 26 april 2000 met ingang van 1 juni 2000 beëindigd.
Bij besluit van 6 april 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 april 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat appellant op grond van het in dat besluit weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels ten tijde hier van belang geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Appellant was immers geen vreemdeling in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) (oud). Hij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid (oud), van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308) met een Nederlander worden gelijkgesteld.
Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of de beëindiging van de uitkering als strijdig met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) kan worden bestempeld. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 26 juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van Pro het IVBPR onder meer tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw (oud).
Een uitzondering is gemaakt voor onder meer degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend. Voor hen geldt dat er hangende de bezwaar- of beroepsprocedure onvoldoende grond aanwezig is om de verworven rechtspositie te beëindigen. Dit wordt eerst anders wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing om toelating, zolang zij althans aan de overige voorwaarden voor een bijstandsuitkering blijven voldoen.
De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van belang behoorde tot de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw en dat op 1 juli 1998 geen sprake was van een in behandeling zijnde aanvraag om toelating in Nederland. Voorts staat vast dat appellant op 1 juli 1998 geen recht op bijstand had en dat appellant eerst na deze datum om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten heeft verzocht. Deze omstandigheden in ogenschouw nemend, bezien in het licht van voornoemde uitspraken, is de Raad van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van de Koppelingswetgeving, zoals neergelegd in de Abw, ten volle voor appellant opgaat. Het voorgaande leidt ertoe dat de intrekking van de uitkering niet als strijdig met artikel 26 van Pro het IVBPR is te beschouwen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) I.D.Veldman.
FB/27/9
JK/3094