ECLI:NL:CRVB:2004:AR3909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging leenbijstand woninginrichting niet om niet toegekend aan vrouw na verblijf vrouwenopvang
Appellante vroeg bijzondere bijstand voor de inrichting van haar nieuwe huurwoning, die zij per 3 november 2000 betrok. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht kende bijzondere bijstand toe van f 8.000,- in de vorm van een geldlening met maandelijkse aflossing. Appellante maakte bezwaar tegen deze leningvorm en vorderde bijstand om niet, stellende dat zij tot een bijzondere doelgroep behoorde zoals bedoeld in artikel 15a van de Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellante zowel vóór als na haar verblijf in het vrouwenopvanghuis enige maanden bij haar moeder heeft ingewoond, waardoor zij niet voldeed aan het criterium van artikel 15a lid 1 onder d. Ook kon zij niet worden gelijkgesteld aan een bijzondere doelgroep, omdat zij al sinds medio 1998 als woningzoekende stond ingeschreven en dus rekening kon houden met toekomstige uitgaven.
De Raad oordeelde dat het beleid van de gemeente Utrecht, waarbij bij bijzondere doelgroepen de bijstand om niet wordt verstrekt en bij anderen als geldlening, niet in strijd is met de wet. Aangezien appellante niet tot die groepen behoorde en geen bijzondere omstandigheden had die een afwijking rechtvaardigden, was het besluit om de bijstand als lening te verstrekken redelijk en rechtmatig. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de proceskosten werden niet aan appellante toegewezen.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt terecht als geldlening toegekend en niet om niet.