ECLI:NL:CRVB:2004:AR2729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering na toekenning AAW/WAO-uitkeringen met terugwerkende kracht
Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 14 februari 1994 tot 1 augustus 1996. Na een gewonnen hoger beroep werd hem met terugwerkende kracht vanaf 14 februari 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op grond van de AAW en WAO, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.
Hierdoor werd vastgesteld dat appellant geen recht had op de eerder toegekende WW-uitkering over die periode. Gedaagde, het UWV, trok de WW-uitkering en de toeslag op grond van de Toeslagenwet in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Tevens werd anticumulatie toegepast, waarbij de WW-uitkering werd verrekend met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Appellant voerde aan dat de intrekking niet rechtsgeldig was en dat de terugvordering onterecht was, onder meer omdat de WW-uitkering zonder voorbehoud was verstrekt en de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te laag waren vastgesteld. De Raad oordeelde echter dat de intrekking en terugvordering rechtens standhouden, dat geen strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de toepassing van anticumulatie conform de wettelijke bepalingen is.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Utrecht en verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. De wettelijke rente werd eveneens gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan op 8 september 2004 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van WW-uitkeringen en terugvordering van onverschuldigde betalingen na toekenning van AAW/WAO-uitkeringen met terugwerkende kracht.