ECLI:NL:CRVB:2004:AR2689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse opzegtermijn bij Belgische arbeidsovereenkomst voor WW-uitkering
Gedaagde was in dienst van een Belgische werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd beheerst door Belgisch recht. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst sloten partijen een dadingsovereenkomst waarin een opzegtermijn van tien maanden en een opzegvergoeding werden vastgesteld. Gedaagde vroeg een WW-uitkering aan in Nederland, maar deze werd opgeschort vanwege de vergoeding die als loon werd aangemerkt volgens artikel 16, derde lid, van de WW.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) omdat het volgens de rechtbank niet verenigbaar was met artikel 16, derde lid, van de WW om bij buitenlandse arbeidsovereenkomsten de buitenlandse opzegtermijn te hanteren. Het Uwv stelde hoger beroep in en voerde aan dat op grond van Europees recht de Belgische opzegtermijn moest worden toegepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Nederlandse recht van toepassing is op de fictieve opzegtermijn voor de WW-uitkering en dat de dadingsovereenkomst niet leidt tot een andere rechtsgrond dan opzegging door de werkgever. De Raad verwierp de stelling dat Europees recht tot toepassing van de Belgische opzegtermijn leidt en bevestigde dat de fictieve opzegtermijn volgens artikel 7:672 BW Pro moet worden vastgesteld, in dit geval tot 31 juli 2001.
De Raad veroordeelde het Uwv tot betaling van de proceskosten en wees het hoger beroep af, waarmee het eerdere vonnis werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fictieve opzegtermijn voor de WW-uitkering volgens Nederlands recht wordt vastgesteld en wijst het hoger beroep van het Uwv af.