ECLI:NL:CRVB:2004:AQ9875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering overname betalingsverplichtingen bij faillissement werkgever
Appellant, geboren in 1960 en van Turkse nationaliteit, was sinds 1996 in dienst bij zijn werkgever. Na het faillissement van zijn werkgever in oktober 1998 verzocht appellant het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Dit verzoek werd geweigerd omdat appellant volgens het UWV geen werknemer was in de zin van de WW, mede vanwege zijn verblijfsstatus en de Koppelingswet.
De rechtbank onderschreef dit standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat appellant vanaf 1 juli 1998 ten onrechte niet meer als werknemer werd aangemerkt omdat hij rechtmatig in Nederland verbleef op grond van een lopende aanvraag voor een verblijfsvergunning en tijdens de bezwaarprocedure. Hierdoor was hij volgens de WW verzekerd gebleven.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak benadrukt de bescherming van de rechtspositie van vreemdelingen die rechtmatig verblijven en al verzekerd waren voor de invoering van de Koppelingswet.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin appellant als werknemer wordt erkend.