ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering Anw
Appellante ontving sinds 1977 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar een Anw-uitkering. Na melding van haar huwelijk en samenwoning met haar partner, werd de uitkering per oktober 1998 ingetrokken vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. Gedaagde baseerde dit op registratie en verblijfstatus van de partner.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat de gezamenlijke huishouding pas kan worden aangenomen vanaf de datum waarop de partner een verblijfsvergunning kreeg voor verblijf bij appellante, namelijk 1 april 1999. De eerdere intrekking per oktober 1998 is daarmee onterecht.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en de besluiten tot intrekking en terugvordering over de periode vóór 1 april 1999. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan appellante toegekend. De Raad gaat niet in op verdere grieven of rentevergoedingen, omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 oktober 1998 wordt vernietigd; de uitkering mag pas vanaf 1 april 1999 worden ingetrokken en een nieuw besluit moet worden genomen.