ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding volgens Ioaw
Appellant ontving sinds 30 maart 1998 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Gedaagde beëindigde de uitkering per 1 oktober 2000 omdat appellant volgens een onderzoek geen kostgangersrelatie, maar een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. De rechtbank oordeelde dat de beëindiging in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat geen onderzoek was gedaan naar het gezamenlijke inkomen.
In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en stelde dat er een kostgangersrelatie bestond. De Raad concludeerde op basis van verklaringen en onderzoek dat er wel degelijk een gezamenlijke huishouding was, waarbij sprake was van gezamenlijke verzorging, gezamenlijke maaltijden en gedeeld gebruik van de woning.
De Raad wees het beroep af en bevestigde de beëindiging van de uitkering. Tevens oordeelde de Raad dat appellant niet had voldaan aan de inlichtingenplicht, waardoor het besluit van 5 maart 2002 terecht was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en niet-naleving van de inlichtingenplicht.