“Eiser heeft op 25 september 1996 de [stichting] (hierna: de stichting) opgericht. Aanvankelijk was eiser het enige bestuurslid. Op 16 juni 1997 is als secretaris van de Stichting opgevoerd mevrouw [be[betrokkene], destijds wonende te Leiderdorp op het adres [adres]. Vanaf dat moment vervulde eiser de functie van voorzitter binnen het bestuur van de stichting.
Naar aanleiding van een verzoek om aansluiting van de stichting bij de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen heeft het Gak bij besluiten van 18 december 1997 de stichting per 1 oktober 1997 aangesloten, eiser aangemerkt als werknemer en de premie voor het jaar 1997 voorlopig vastgesteld op f. 31,- op basis van een loonsom van f 302,-.
Vervolgens heeft een nader onderzoek plaats gevonden naar de verzekeringsplicht van eiser. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat van een reële gezagsverhouding geen sprake was, omdat er een te grote verwevenheid was tussen het bestuur en de uitvoerende taken, mede gezien het feit dat mw. [betrokkene] met eiser gehuwd is geweest.
Bij besluit van 23 april 1998 heeft het Gak meegedeeld dat eiser niet als verzekeringsplichtig kan worden aangemerkt.
Eiser is vervolgens als voorzitter van de stichting teruggetreden. Bij brief van 4 mei 1998 heeft mw. [betrokkene], onder overlegging van een arbeidsovereen-komst, eiser wederom aangemeld als werknemer. Eiser zou met ingang van 1 mei 1998 in dienst zijn getreden bij de stichting tegen een salaris van f. 10.000,- bruto per maand.
Naar aanleiding van een onderzoek door inspecteur Staal, die blijkens zijn rapportage op 18 juni 1998 eiser heeft bezocht op het adres [adres] te Leiderdorp, heeft het Gak bij besluit van 30 juni 1998 verzekeringsplicht voor eiser aangenomen.
Medio september 2000 is verweerder benaderd door een medewerker van het onderzoeksbureau Quest B.V., dat optreedt namens Aegon Verzekeringen en een onderzoek doet naar de gang van zaken rondom een door de Stichting afgesloten particuliere ziektewetverzekering voor eiser.
Eiser ontvangt, naar aanleiding van een ziekmelding van 8 mei 1998, ingevolge het besluit van 2 september 1999, met ingang van 11 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Naar aanleiding van de melding van onderzoeksbureau Quest heeft een onderzoek van het werkgeversdossier plaatsgevonden, alsmede een onderzoek bij de Kamer van Koophandel. Uit dit laatste onderzoek is gebleken dat eiser zelf de aangifte heeft ondertekend waarbij hij uit de functie van voorzitter en bestuurslid is getreden en mw. [betrokkene] als enig bestuurslid is ingeschreven. Een tweetal latere meldingen over het adres van de stichting en het adres van mw. [betrokkene], alsmede de melding over het terugtreden van mw. [betrokkene] per 1 januari 1999 zijn kennelijk eveneens door eiser ondertekend.
Bij primair besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 1 maart 2001 wordt geschorst, omdat er vermoeden bestaat dat hij geen recht op uitkering heeft. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.”.