ECLI:NL:CRVB:2004:AP2309

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5271 CSV + 01/5272 CSV + 01/5273 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16c Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdelijk aansprakelijkheid voor onbetaalde premies na faillissement

Appellant is op grond van artikel 16c van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies van drie gefailleerde vennootschappen onder firma over de jaren 1997 tot en met 1999. De besluiten tot aansprakelijkstelling zijn door appellant aangevochten, waarbij hij de hoogte van de vastgestelde premies betwistte en de motivering onvoldoende vond.

De Raad overweegt dat de vastgestelde premies zijn gebaseerd op door appellant verstrekte gegevens en premienota's, en dat appellant ter zitting bevestigde dat zijn boekhouder de opgaven verzorgde. De Raad ziet geen aanleiding om de vaststelling van de premies onjuist te achten en acht de motivering van de besluiten voldoende.

Verder stelde appellant dat de afwikkeling van de faillissementen moest worden afgewacht alvorens aansprakelijk te worden gesteld, omdat mogelijk betalingen uit de boedel te verwachten waren. De Raad wijst dit af, stellende dat artikel 16c CSV dit niet ondersteunt en dat de vorderingen bij de curator zijn ingediend, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele baten.

Tot slot oordeelt de Raad dat de aansprakelijkstelling tijdig heeft plaatsgevonden binnen een jaar na faillissement, zodat geen sprake is van onnodig talmen. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijk aansprakelijkheid van appellant voor onbetaalde premies en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

01/5271 CSV
01/5272 CSV
01/5273 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Mr. R.B.J.M. van der Linden, advocaat te Veldhoven, heeft als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift van 16 november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 4 september 2001, nummers 00/4961, 00/4963 en 00/4965, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. Hermsen, kantoorgenoot van voormelde gemachtigde, en waar namens gedaagde, daartoe opgeroepen door de Raad, is verschenen mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van 12 januari 2000 is appellant op grond van artikel 16c van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de gefailleerde [naam vof 1], [naam vof 2] en [naam vof 3] over respectievelijk 1998, 1998 en 1997 tot en met 1999 onbetaald gelaten premies.
Gedaagde heeft appellants bezwaren tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard bij besluiten van 18 mei 2000. Appellants beroepen tegen deze besluiten zijn in de in rubriek I vermelde uitspraak ongegrond verklaard.
Het gaat in deze gedingen om de beantwoording van de vraag of voormelde besluiten van 18 mei 2000 (hierna: de bestreden besluiten) in rechte stand kunnen houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
Appellant stelt de hoogte van de onbetaald gelaten premies niet te hebben kunnen herleiden en betwist de juistheid van de vastgestelde bedragen. Appellant is in dit verband voorts van mening dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn. Gedaagde wijst op de zich onder de gedingstukken bevindende premienota's, welke uitsluitend zijn gebaseerd op de door appellant verstrekte gegevens, alsmede op de in zijn brief van 22 februari 2000 gegeven specificatie van zijn vordering. Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de opgaven aan gedaagde werden verzorgd door zijn boekhouder. In het licht van het voorgaande ziet de Raad in appellants, niet geconcretiseerde, betwisting geen aanleiding gedaagdes vaststelling van onbetaald gelaten premies voor onjuist te houden. Voorts zijn de bestreden besluiten naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd.
Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat gedaagde de afwikkeling van de faillissementen van de voormelde vennootschappen onder firma dient af te wachten, alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan, met name nu enige betaling uit de boedel te verwachten valt. Naar het oordeel van de Raad wijzen gedaagde en de rechtbank er terecht op dat appellants stelling geen steun vindt in artikel 16c CSV. Bovendien heeft gedaagde de vorderingen bij de curator ingediend, zoals blijkt uit de brief van de curator van 16 februari 2004, en heeft gedaagde verklaard bij de invordering van de verschuldigde bedragen rekening te zullen houden met eventuele uit de faillissementen ontvangen baten.
De Raad is tot slot van oordeel dat geen sprake is van onnodig talmen van de zijde van gedaagde, nu aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden binnen één jaar na faillissement van de vennootschappen onder firma.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) A. Kovács