ECLI:NL:CRVB:2004:AP1520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering toeslag AOW-uitkering wegens inkomsten echtgenote
Appellant ontving vanaf 1 januari 1995 een AOW-uitkering met toeslag, gebaseerd op de veronderstelling dat zijn echtgenote geen eigen inkomsten had. Na een strafrechtelijk onderzoek naar de werkgever van zijn echtgenote, waarin ongeregistreerde loonbetalingen werden aangetroffen, herzag de Sociale verzekeringsbank de toeslag en vorderde deze terug wegens het vermeende inkomen van de echtgenote.
Appellant voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat de toeslag onterecht was herzien. De rechtbank handhaafde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek niet zonder meer gebruikt mocht worden en dat de motivering van het besluit ontoereikend was.
De Raad stelde vast dat voor de periode tot 30 juni 1995 voldoende bewijs bestond voor het inkomen van de echtgenote, maar dat voor de periode daarna alleen observaties zonder proces-verbaal waren, onvoldoende als grondslag voor het besluit. Tevens werd het ontbreken van een hoorzitting en de onjuiste datum van uitspraak door de rechtbank bekritiseerd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening en terugvordering van de AOW-toeslag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.