ECLI:NL:CRVB:2004:AO9281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens niet melden gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf november 1996 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na onderzoek door sociale recherche werd vastgesteld dat zij in de betreffende periode een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot buiten de gemeente, hetgeen niet was gemeld. Op grond hiervan trok het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort haar uitkering met terugwerkende kracht in en beëindigde de uitkering per 1 januari 1998.
Appellante maakte geen bezwaar binnen de gestelde termijn tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de bezwaartermijn niet was nageleefd en er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Appellante stelde dat de onduidelijke formulering van het intrekkingsbesluit aanleiding had moeten geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar of het afzien van terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de besluiten onherroepelijk zijn geworden en dat appellante haar inlichtingenplicht niet is nagekomen. Hierdoor is terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand terecht. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellante geen onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft gesteld. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand wegens niet melden gezamenlijke huishouding.