ECLI:NL:CRVB:2004:AO9036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogen en schulden bij aanvraag bijstandsuitkering volgens Algemene bijstandswet
Appellante diende op 2 maart 2000 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Heerlen wees deze aanvraag bij besluit van 31 oktober 2000 af vanwege het beschikken over vermogen boven de vermogensgrens. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er schulden bestonden die in mindering gebracht konden worden op haar vermogen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat twee schulden – een lening van f 75.000,- aan een derde en een bedrag van f 13.716,15 geleend van haar moeder – in mindering hadden moeten worden gebracht, waardoor haar vermogen niet boven de vermogensgrens zou uitkomen. De Raad oordeelde echter dat het bestaan van deze schulden niet voldoende aannemelijk was gemaakt. De lening van f 75.000,- was niet daadwerkelijk overgedragen, ondanks een overeenkomst en een accountantsverklaring. De lening van haar moeder was niet verbonden aan een daadwerkelijke aflossingsverplichting.
De Raad bevestigde daarom het besluit van de rechtbank en het College van burgemeester en wethouders dat appellante niet in aanmerking kwam voor bijstand vanwege het vermogen boven de vermogensgrens. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen omdat haar vermogen boven de vermogensgrens lag en de opgevoerde schulden niet aannemelijk zijn gemaakt.