ECLI:NL:CRVB:2004:AO5652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en weigering inkomensgegevens
Appellant diende op 1 december 1999 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet (Abw). Hij gaf aan alleen op het adres te wonen, maar de gemeente constateerde dat betrokkene vanaf 10 december 1999 ook op dat adres stond ingeschreven. Na een gesprek en huisbezoek concludeerde de gemeente dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden.
De gemeente kende appellant een uitkering toe als alleenstaande, maar schortte deze op en vroeg inkomensgegevens van betrokkene. Omdat appellant deze niet verstrekte, werd de uitkering per 10 december 1999 beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelde dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding was voldaan, waarbij niet van belang was dat betrokkene mogelijk noodgedwongen introk. Ook was sprake van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling, zoals gedeelde huishoudelijke taken, gezamenlijke kosten en gebruik van voorzieningen. Door het weigeren van inkomensgegevens kon de gemeente niet beoordelen of appellant recht had op bijstand volgens de gezinsnorm. Daarom was de beëindiging van de uitkering terecht. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De beëindiging van de bijstandsuitkering per 10 december 1999 wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en weigering inkomensgegevens.