ECLI:NL:CRVB:2004:AO4930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.M. van Male
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante ontving sinds 1987 een bijstandsuitkering en werd verdacht van samenwoning met haar partner, de vader van haar kind. Na onderzoek door sociale recherche concludeerde de gemeente dat zij vanaf 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen appellante niet had gemeld. De gemeente trok de bijstand vanaf die datum in en vorderde de uitkering terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de inhoudelijke beslissing af. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onterecht niet-ontvankelijk had verklaard en betwistte het bestaan van een gezamenlijke huishouding.
De Raad stelde vast dat de gemeente niet binnen de wettelijke termijn had beslist, maar appellante had nagelaten de gemeente op de overschrijding te wijzen, waardoor het beroep tegen de fictieve weigering prematuur was. Uit verklaringen van appellante en partner en observaties bleek dat zij vanaf 1995 een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante had haar inlichtingenplicht geschonden, waardoor de intrekking en terugvordering terecht waren.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, en verklaarde het beroep tegen het besluit van intrekking en terugvordering gegrond. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel bleven in stand. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand gegrond en het besluit vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde deel.