ECLI:NL:CRVB:2004:AO3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schending hoorplicht en proceskostenveroordeling in aansprakelijkstelling premies werknemersverzekeringen
De zaak betreft een hoger beroep van B.V. I en B.V. II tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inzake aansprakelijkstelling voor premies werknemersverzekeringen over 1984 en 1985. De Raad van bestuur van het UWV trad op als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). De rechtbank had de bezwaren van appellanten tegen de aansprakelijkstellingen ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten.
Appellanten voerden onder meer aan dat het UWV de verjaringstermijn uit artikel 13 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering had overschreden en dat de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM Pro was geschonden. De Raad verwierp deze argumenten, omdat de eerdere uitspraak van de Raad van 19 mei 1993 slechts gedeeltelijk vernietigde en de latere besluiten slechts een vermindering van de oorspronkelijke aansprakelijkstellingen betroffen, geen nieuwe aansprakelijkstellingen.
De Raad constateerde echter dat de rechtbank ten onrechte de schending van de hoorplicht op grond van artikel 7:2 Awb Pro met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro had gepasseerd en dat het UWV terecht veroordeeld had moeten worden tot vergoeding van de proceskosten van appellanten. Daarom vernietigde de Raad het vonnis voor zover het UWV niet was veroordeeld in de proceskosten en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter G. van der Wiel en leden R.C. Stam en F.J.L. Pennings op 22 januari 2004.
Uitkomst: De Raad vernietigt het vonnis voor het niet veroordelen van het UWV in proceskosten en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.