ECLI:NL:CRVB:2004:AO2455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkering op grond van BWOO
Gedaagde ontving onverschuldigd een werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO) over een periode waarin zij gedeeltelijk werkte. Appellant, de minister, vorderde de te veel betaalde uitkering terug. De rechtbank oordeelde dat het terugvorderingsbesluit onvoldoende was onderbouwd en verklaarde het beroep van appellant gegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de beslissingen en overzichten voldoende duidelijkheid boden over de terugvordering. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat gedaagde niet betwistte dat zij onverschuldigd uitkering had ontvangen, maar dat zij niet tot terugbetaling in staat was. De Raad oordeelde dat de besluiten van april en oktober 1995 een voldoende grondslag vormden voor de terugvordering en dat het voor gedaagde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij te veel had ontvangen.
De Raad vond dat appellant terecht tot volledige terugvordering was overgegaan en dat het argument van gedaagde dat zij de bedragen aan levensonderhoud had besteed onvoldoende was om terugvordering te weigeren. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, behoudens de proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding, en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering is terecht.